Ontwikkelingshulp als Industrie
Het is vandaag zaterdag en ik zit op het dak van mijn Nepalese huis al genietend van de zon mijn buren te bekijken, die ook met het hele gezin op het dak zitten. In mijn appartement, dat ik deel met een Zweeds meisje, heb ik alles wat ik nodig heb, inclusief power back-up voor als mijn deel van de stad geen elektriciteit heeft en een tv met internationale nieuws- en film zenders. Ik werk hier voor een Nederlandse ontwikkelingsorganisatie. Zij ondersteunen een netwerk van organisaties op het gebied van voedselzekerheid. Ik ben hier om te kijken hoe dat gaat en om dit samenwerkingsverband te versterken.
Ik werk op het kantoor van de lokale leading partner van het netwerk, waar ik elke ochtend op mijn gele mountainbike naartoe fiets. Het was niet gemakkelijk om weer een baan te vinden in de ontwikkelingssamenwerking (OS), de concurrentie is groot en de banen liggen niet voor het oprapen. Ik was dan ook ontzettend blij toen ik aangenomen werd voor een project hier in Nepal.
Ik ben in de OS terechtgekomen na een studie beleid en management in de gezondheidszorg en verschillende stages in het buitenland. In dit werk kan ik mijn interesses voor sociale en organisatorische vraagstukken, publieke gezondheidszorg en andere culturen combineren, en mijn doel nastreven om bij te dragen een eerlijkere en gelijkere wereld. Persoonlijk vind ik het erg moeilijk om te zien waar ik echt wat kan betekenen en waar niet. Het nastreven van idealen en het ondersteunen van echte verandering spreken elkaar niet tegen. Toch is het lastig deze twee in de praktijk te combineren. Ik hoor en lees vaak dat ‘ontwikkelingssamenwerking een industrie is geworden’. Ergens dacht ik altijd wel te begrijpen wat hiermee bedoeld werd. Ik heb gezien hoe ngo’s soms zoeken naar bestaansredenen en heb me afgevraagd waarom er soms zoveel geld besteed wordt aan de zoveelste conferentie over hulp in een duur hotel. En hoewel ik het wel was, voelde ik me tot nu toe nooit echt deel van deze hulpindustrie. Tot nu, in Nepal.
Mijn werk, mijn huis, de stad, de mensen, de cultuur, alle is hier leuk en interessant. Toch begin ik me ongemakkelijk te voelen omdat er hier geen ontkomen is aan de industrie die OS heet. Het ondersteunen van de civil society om ontwikkeling te stimuleren lijkt soms ondergesneeuwd te worden door het circus dat eromheen is ontstaan.
Ik woon in een goed en rustig deel van de stad, Kunpondol. Ik woon hier samen met heel veel andere expats, NGO medewerkers, stagiaires en vrijwilligers. Allemaal mensen die hier zijn gekomen met het idee iets bij te dragen aan de ontwikkeling van Nepal, op wat voor manier dan ook. De een werkt voor een grote INGO en is druk met het monitoren van de lokale ngo’s die worden gesteund, de ander is vrijwilliger bij een circus waar kinderen die eerder het slachtoffer waren van mensenhandel worden opgevangen. Het aantal (I)NGOs in Kathmandu is enorm, het lijkt wel of elke zichzelf respecterende NGO hier een kantoor heeft.
Maar wat gebeurt er nou echt op het gebied van ontwikkeling voor de mensen in Nepal? Hoewel iedereen hier zonder twijfel met de beste bedoelingen is, lijkt het toch alsof de verschillende spelers vooral elkaar aan het werk houden, in plaats van te zorgen voor echte verandering (zodat ze uiteindelijk zelfs overbodig worden..). Toen ik pas een interview had met een van de partners in het netwerk waar ik voor werk vertelde hij me dat zij gefinancierd worden door een aantal grote INGOs. Deze worden op hun beurt weer gefinancierd door nationale overheden of andere internationale instellingen. De ngo waar ik was ondersteunde zelf weer kleinere lokale ngo’s, die het daadwerkelijke werk doen in de ‘communities’, zoals het geven van trainingen op het gebied van landbouw of het verstrekken van gezondheidszorg. Hoewel elk van deze organisaties vast expertise heeft opgebouwd in wat zij doen lijken er toch wat extra lagen in deze constructie te zitten dan strikt noodzakelijk.
De enorme NGO/expat community heeft ook gezorgd voor het ontstaan van een mini-industrie in Kathmandu, om aan de wensen van al die westerse mensen te voldoen. Winkeltjes met cornflakes, chocolade en wijn, en restaurants met pizza’s en biefstuk. Ik noem het de ‘westerse bubbel’. Ik maak er ook gebruik van omdat ik ook graag ontbijt met cornflakes en soms gewoon zin heb in een pizza. In andere delen van de stad is een vergelijkbaar aanbod, maar dan vooral voor de vele toeristen die hier komen om te hiken of tot rust te komen in een boeddhistisch klooster.
Buitenlandse, of meer specifiek, westerse invloeden zijn niet erg, en ook onvermijdelijk, maar een balans moet er zijn. Waarom zou je hier als buitenlander komen wonen als je eigenlijk nooit de westerse bubbel uitkomt? Organisaties en (potentiele) expats moeten zich bewust zijn van de impact die ze op het land hebben. In mijn ogen is er een aanzienlijke kans dat hun positie als consument meer effect heeft dan het werk waarvoor ze gekomen zijn. Hiermee stimuleer je ook de ontwikkeling, maar niet de groep mensen die het het hardste nodig heeft en niet op de manier waar ngo’s bergen met geld aan uitgeven.
Ik hoop dat ik over een paar maanden, wanneer ik terug ben in Nederland, meer heb kunnen bijdragen dan ik had gekund op een lange vakantie. De Nepalese fietsenmaker waar ik mijn gele mountainbike heb gekocht heeft in ieder geval iets aan mij verdiend. Als ik door mijn fietstochten naar vergaderingen voor mijn werk ook daadwerkelijk iets bij heb kunnen dragen aan hún doelstellingen zal ik pas echt tevreden zijn. Pindakaas en pizza blijf ik hier waarschijnlijk wel eten, maar ik ga proberen kritisch te blijven kijken naar de OS hier.

Hoi Wievenlien! Leuk om blogs vanuit Nepal te lezen. Jouw verhaal doet mij meteen denken aan het boek dat ik op dit moment lees: Adventures in Aidland samengesteld door David Mosse. Het is een soort antropologie van ontwikkelingswerkers en hun wereld. Erg boeiend en ik vind het een enorme eyeopener! Ook in dat boek beschrijven ze de “bubbel” waarin ontwikkelingswerkers terecht komen. Maar net als jij, hoe zouden zij daaraan kunnen ontsnappen/het anders kunnen doen?
monique van der zijdeVeel succes nog daar! Groetjes!